Woningen vroeger en nu

In de loop van de eeuwen en zelfs in de loop van de millennia heen is de mens altijd op zoek geweest naar manieren om beschut te zijn tegen het weer. De mens heeft altijd het natuurlijk instinct gehad om ervoor te zorgen dat zij beschut waren tegen de weersomstandigheden en externe andere gevaren. Ze hadden ze de vroege prehistorie natuurlijk niet de huizen die wij tegenwoordig bewonen. We gaan in dit artikel even een stukje terug in de tijd om te kijken hoe de mensen toen woonden.

De prehistorie is de oudste tijd in de geschreven geschiedenis. De mensen in die tijd leefden enkel nog van jagen en verzamelen. De mensen in die tijd waren eigenlijk altijd simpele nomaden. Dit hield in dat ze geen vaste woonplek hadden en van plek naar plek trokken op zoek naar voedsel. In het begon verbleven de mensen in die tijd vooral in grotten. Later begonnen ze zelf constructies zoals hutten te bouwen. Dit waren vaak hutten met rieten daken. Het voordeel van hutten was dus dat ze zo’n hut met een rieten kap makkelijk konden afbreken om zo verder te reizen naar de volgende vruchtbare plek om tijdelijk te bewonen..

De mens ontwikkelde zich en leerde daardoor ook nieuwe technieken. Zo zag je jagers en verzamelaars langzaamaan veranderen in landbouwers. Dit hield in dat ze zich op een plek konden gaan vestigen. Huizen werden nu gemaakt van klei en zouden dan ook niet meer afgebroken hoeven worden. Zo ontstonden er op verschillende plekken steeds meer nederzettingen. De nederzettingen werden dorpen en uiteindelijk veranderden deze zelfs in steden.

In de klassieke oudheid begint het ineens allemaal een stuk comfortabeler te worden. De Griekse en Romeinse cultuur wordt al snel wijd verspreid en zo ontstaan er zelfs villa’s en paleizen, deze waren er natuurlijk voor de rijken. Voor de armen waren deze er helaas niet. Zij woonden in kleine appartementsblokken om de kosten op die manier zo laag mogelijk te houden. Vaak woonde een heel gezin in slechts één kamer.

In de middeleeuwen zag je dat veel mensen op het platteland woonden. De mensen die wel in de steden woonden zaten daar erg dicht op elkaar. De stad was een constructie van smalle steegjes en straten. Een woning ging je binnen via het keldergat en zelfs ramen waren voor de meeste mensen te duur.

Na de middeleeuwen werden de steden in een hoog tempo groter en groter. Er kwamen ook veel paleizen bij, de woningen van de gewone man bleven wel erg eenvoudig.

Vandaag de dag vinden we veel dorpen en steden terug. Er is ook erg veel verschil in woningen wat betreft de groottes, vormen en materialen. We kunnen tegenwoordig daardoor volledig ons eigen stempel drukken op woningen.